PLÁC

Het woord PLÁC stamt uit het Tsjechisch en is deel van de titel van een muziekstuk voor altsaxofoon en piano van de Tsjechische componist Otmar Macha.
Letterlijk vertaald betekent Plác huilen. Het is echter ook de uitdrukking van een gevoel dat men alleen kan hebben wanneer je voor vrijheid hebt moeten vechten. Aan de ene kant duister en ontroerend, aan de andere kant onderscheidingsdrang en daadkracht vrijmakend. Voor velen, en zeker voor leden van dit ensemble, betekent muziek vrijheid, ontroering, onderscheidingsdrang, kracht.
Plác ontstond in 1994 op initiatief van Gerwil Kusters.
Aanleiding was een concert met een programma bestaande uit muziek voor saxofoon en piano, saxofoon duo en saxofoon-slagwerk-piano. Deze variabele bezetting ontlokte veel positieve reacties.
Al naar gelang de repertoirekeuze wordt een ensemble gevormd van professionele musici. Zo ontstaat een gevarieerd muzikaal klankspectrum: het ene concert met saxofoons en piano, een ander bijvoorbeeld met zang, fluit, saxofoon, cello en piano.
De muziekstijl is eveneens zeer afwisselend. Zo kan er romantische kamermuziek gespeeld worden of een concert met alleen moderne muziek. Ook een bepaald thema kan onderwerp van een concert zijn, bijvoorbeeld een componist, tijdvak, land etc.
Op dit moment speelt Plác een programma voor saxofoon en piano. Vooral werken van Nederlandse componisten, geschreven voor altsaxofoon en piano, sopraansaxofoon en piano maar ook piano- of saxofoonsolo komen aan bod.
Het huidige repertoire ziet er als volgt uit:

Soyons plus vite (1991)Daan Manneke
So close and yet so far away (1994) Ferdi Schukking
Hermans' Hide Away (1976)Rob Du Bois
Crystal Dreams (1991)Peter van Onna
Sonate (1988)Henk Alkema
Multiphonics/Vogelvlucht/Antahkarana (1996)Ferdi Schukking
Aulos (1972)Theo Loevendie
Phoenix (1983)Ryo Noda
Murasaki no Fuchi (1981)Ryo Noda
Mime 3 (1980)Jacqueline Fontyn
Mandala (1988)Tera de Marez Oyens
Sonate (1943)Paul Hindemith
Plác Saxofonu (1964)Otmar Macha
The Pizza-connection (1989)Chiel Meyering
Hot-Sonata (1930)Erwin Schulhoff
Two Fantastics (1969)Jenö Takács
Capriccio (1976)Leo Samama
Sonatina (1980)Henk Alkema
à l'Espagnol (1962)Pierre Max Dubois
Nocturne (1959)Conrad Beck
Duo Concertante (1861)J. B. Singelée
Linkerhand en rechterhand (1976)Ton de Leeuw

De musici die dit programma spelen zijn:

Bea de Jongpiano
Ferdi Schukkingsaxofoon
Gerwil Kusterssaxofoon


Bea de Jong (1958) studeerde in 1983 af bij Liana Serbescu aan het conservatorium in Tilburg. Al tijdens haar studie deed ze als soliste mee aan diverse componisten-projecten. Gaandeweg werd ze meer aktief als begeleidster tijdens concerten van diverse zangers en instrumentalisten. Daarnaast speelde ze ook in een kwintet met fluit, clarinet en viool en werkte ze twee jaar samen clarinetiste Mieke Manders. Verder participeerde ze in twee theaterproducties waarvoor ze de muziek schreef. In 1994 begon de samenwerking met de saxofonisten Gerwil Kusters en Ferdi Schukking. Samen met hen is zij één van de leden van "PláC". Daarnaast geeft ze op diverse plaatsen pianoles.

Ferdi Schukking (1959) is in 1980 begonnen met saxofoonspelen. In eerste instantie als improvisator: veel spelen in allerlei formaties, van salsa en big-band, tot free-jazz en moderne muziek-ensembles. Aanvankelijk op tenor- later ook op sopraansaxofoon. In 1987 won hij met Ingeborg van Stiphout (piano) het KRO-saxofoonconcours lichte muziek. Daarna heeft hij zich meer toegelegd op klassieke muziek. Hij studeerde in 1992 af op sopraansaxofoon bij Adri van Velsen aan het conservatorium in Maastricht. Het "Uhm-saxofoonkwartet" is tijdens de studie ontstaan. Naast het Franse repertoire worden vooral veel werken van Nederlandse componisten gespeeld en verstrekt het kwartet compositie-opdrachten. Hij is een van de leden van 'Plác', een kamermuziekensemble met een wisselend aanbod van professionele musici die een gevarieerd programma brengen. Verder speelt hij regelmatig in ad hoc ensembles en orkesten (o.a. diverse theaterproducties, "Dreigroschenoper" van Kurt Weill en "An American in Paris" van Gershwin). Ferdi Schukking experimenteert veel met microtonen. Hij heeft samengewerkt met kunstenaars (o.a. een project op kunstacademie Den Bosch), dansers en dichters. Als improvisator heeft hij met zijn jazz-septet "Very Shucking" de Dordtse Jazzprijs 1995 gewonnen. I4CMS (I foresee a mess) combineert jazz- en popmuziek. Naast deze uitvoerende activiteiten geeft hij saxofoonles voor gevorderde leerlingen in Woerden. Verder geeft hij in Gouda, Rotterdam, Utrecht, Woerden en Rockanje al jaren jazz-workshops.

Gerwil Kusters (1970) studeerde in 1994 af bij Adri van Velsen aan het conservatorium in Maastricht. Voor en tijdens zijn studie is hij actief geweest in diverse hafa-orkesten en pop/funkbands. De laatste jaren van zijn studie concentreerde hij zich volledig op het klassieke saxofoonrepertoire voor zowel alt- als baritonsaxofoon, waarbij de hedendaagse gecomponeerde muziek sterk vertegenwoordigd was. Op zijn initiatief ontstond het "Uhm-saxofoonkwartet" waarin hij bariton-saxofoon speelt. In 1994 ontstond de samenwerking met pianiste Bea de Jong wat uitmondde in een trio/ensemble dat vooral werken van hedendaagse Nederlandse componisten speelt. Hij werkte mee aan diverse CD-opnamen en verschillende projecten in "kleine bezetting", o.a. met slagwerk, orgel en harp. Verder is hij (meespelend) orkestleider van het internationaal folkloristisch ensemble "Iduna". Naast deze activiteiten geeft hij op diverse plaatsen saxofoonles.

Voor informatie kunt u terecht bij:

Gerwil Kusters
info@gerwil.nl

Daan Manneke (1939)
Studeerde orgel en compositie bij Jan van Dijk in Tilburg.
Hij vervolgde zijn compositiestudie bij Ton de Leeuw in Amsterdam en won in 1976 "de Prijs voor compositie".
Daan Manneke schrijft veel kamermuziek, orgel- en koorwerken.
Op dit moment doceert hij compositie en analyse aan het Sweelinck conservatorium in Amsterdam.
De titel "Soyons plus vite" voor sopraansaxofoon solo (1991) is ontleend aan een gedicht van R.M. Rilke uit de bundel "Vergers".

Puisque tout passe, faisons
la mélodie passagère;
celle qui nous désaltère,
aura de nous raison.

Chantons a qui nous quitte
avec amour et art;
soyons plus vite
que le rapide départ.


Aangezien alles vergaat,
laat ons de vergankelijke melodie maken;
die ene die ons uit evenwicht brengt,
zal voor ons de reden zijn.

Laat ons zingen voor hen die ons verlaten
met liefde en kunst;
laat ons sneller zijn
dan het snelle vertrek.


Het solostuk bestaat uit drie delen.
In het eerste deel wordt een zachte melodie continue onderbroken door harde, sterke tonen.
Deel II is een virtuoos, ritmisch complexe, vloeiende beweging.
Deel III begint met staccato-lijnen van laag naar hoog in dezelfde ritmische beweging als in deel II.
Het stuk eindigt 'lontano' uit de verte, verstillend.
Deze compositie is opgenomen in het zesluik "Archipel".
Daarin fungeren de drie delen als overgangsstukjes tussen de orkestwerken.

So close and yet so far away(1994)
Dit stuk voor sopraansaxofoon en piano is geschreven voor Bea de Jong.
De piano opent met de tonen B E A, in een ritmische achtsten-beweging. De melodie in de rechterhand verstoort de rust van de linkerhand.
De sopraansaxofoon speelt een lyrische melodie waardoor de pianobegeleiding links/rechts meer integreert.
De twee toonsoorten die het verst van elkaar verwijderd zijn (a-mineur en es-mineur) kennen toch gezamenlijke modulatie-akkoorden.
Een spel wordt gespeeld. De sopraansaxofoon gaat tot het uiterste met een 5-tonig motief, de links/rechts-coördinatie in de piano raakt zoek tot er slechts één cluster overblijft.

Rob Du Bois (1934)
Studeerde piano bij Hans Sachs en is als componist autodidact.
Hij heeft vooral veel kamermuziek geschreven.
"Hermans' Hide Away" voor sopraansaxofoon en piano (1976) is een kort werk. De melodie van de sopraan wordt onderbroken door een aarzelende `ragtime' pianobegeleiding.
Na een ritmisch complexe samenspraak reageren piano en saxofoon op elkaar met korte staccato-nootjes. Flarden ragtime komen terug.
De sopraan speelt het laatste melodietje.

Peter van Onna (1966)
Studeerde gitaar en compositie aan het Twents Conservatorium.
Hij vervolgde zijn studie aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag bij Theo Loevendie, Louis Andriessen en Diderik Wagenaar.
Hij componeerde diverse kamermuziek- en orkestwerken.
In 1992 en 1994 werd zijn werk geselecteerd voor de Internationale Gaudeamus Muziekweek. Hij kreeg verschillende compositie-opdrachten o.a. van het Nationaal Ballet en het ASKO-ensemble.
Crystal Dreams voor sopraansaxofoon en piano (1991) is geschreven "voor Matthias".
De componist geeft de volgende toelichting op het werk;

CRYSTAL DREAMS
Nachtreis?
Mijn zoektocht naar een donker dal,
een mysterieuze kleur,
een donker dal,
milde klank schuift als floers langs elkaar,
als floers?

Mijn stem is hees,
hees als een zwoele sopraan,
ik probeer een veld te doorkruisen,
hees.

In de verte klinkt een schrille kreet,
Behoudt jouw evenwicht!,
een zoektocht,
een schrille kreet.

Jouw klank is een mist die mijn gedachten inbed,
een kreet,
een zwoele stem?

Ik kijk niet op of om....

Peter van Onna
13-IX-1991

De componist maakt gebruik van de vele klankmogelijkheden van de saxofoon. Naast glissandi, flatterzunge en tripple-tongue techniek worden ook kwarttonen en multiphonics gespeeld.
De piano klinkt transparant, breekbaar, vervolgens hard en agressief. Alles in dienst van de sfeer van het stuk.

Henk Alkema (1944)
Studeerde piano bij Leon Orthel en orkestratie bij Willem Frederik Bon.
Hij werkte als jazz-pianist, arrangeur en dirigent bij radio en televisie. Hij doceert nu aan het conservatorium in Utrecht.
Voor Alkema moet muziek in de eerste plaats duidelijk, helder zijn. Daarvoor zal de componist zich bedienen van alle middelen die hem ten dienste staan; systemen, thema's, soms `minimal', barok, jazz, serieel, romantisch, maar altijd spannend, vitaal, consequent en verrassend.
De Sonate voor sopraansaxofoon en piano (1988) is geschreven voor de NCRV-film 'de Moeder van David S.' naar het boek van Yvonne Keuls.
Het werk bestaat uit drie delen waarvan het eerste deel in de film gebruikt wordt en op het concert zal worden uitgevoerd: `Voorwaar, ik zeg u'.

M.W. Lewis
Poem (1976) van Malcolm W. Lewis bestaat uit een langzaam en een snel deel. Het eerste deel 'Molto Lento' begint zacht en lyrisch. De melodie verloopt grillig met veel grote sprongen. Een kleine versnelling is de inleiding voor een uitbundiger passage tot in het toptonen register van de sopraan. De melodie komt weer tot rust waarna een cadens voor de saxofoon het begin van het tweede deel inluidt. De 12/8 maatsoort is onderverdeeld in zeven en vijf achtsten. Een doorgaand pianomotief in de linkerhand wordt ritmisch gevarieerd in de rechter. De sopraansaxofoon volgt dan de één, dan de ander. Aan het eind van het stuk wordt een dubbel tempo ingezet en wordt de melodie nog éénmaal tot in de hoogste regionen van de saxofoon gevoerd.

Multiphonics/Vogelvlucht/Antahkarana (1996)
Op saxofoon kunnen ook meerklanken gespeeld worden. Zelfs accoorden zijn met bepaalde greep-combinaties en een zeer flexibele embouchure (mondstand) tot klinken te brengen. Het stuk multiphonics wordt gespeeld op sopraansaxofoon. Eerst rustig, chromatisch, modulerend en weer terug. Dan heftiger, met dissonanten, schril en hoog. Het tweede gedeelte, 'Vogelvlucht' suggereert meerdere tonen door de snelle arpeggio-(stapeling)be-weging. De circulair-breathing techniek versterkt dit effekt. Het laatste deel 'Antahkarana' roept associaties op met oosterse slangenbezweerders. Je kunt er echter ook de boventoonzang van de PygmeeŽn in herkennen en het repetitieve karakter van de melodie doet weer denken aan de Australische didjeridu (Aborigi-nals). De vreemde nasale klanken ontstaan door onconventionele greep-combinaties. Dit drieluik is ontstaan uit een improvisatie en is daardoor bij elke uitvoering weer anders.

Theo Loevendie (1930)
Aulos (1972) van Theo Loevendie (1930) is op het grensgebied van componeren/improviseren geschreven: de partituur schrijft vier registers voor, van laag naar hoog, waarbij een aantal speelwijzen zoals legato, staccato, trillers, dynamiek, micro-tonen en flatterzunge voorgeschreven zijn. De instrumentalist kiest de registers en improviseert melodieŽn. Zo ontstaat een wis-selend klankpalet wat nog geaccentueerd wordt door het gebruik van vier saxofoons.

Ryo Noda (1948)
Ryo Noda is een Japans saxofonist/componist. Zijn 'Murasaki No Fuchi 1' (1981) is voor twee saxofoons geschreven. Het bevat veel moderne speeltechnieken: kwarttonen (tonen tussen de bestaande twaalf halve afstanden in het oktaaf), flatter-zunge (grrrrr), flageoletten (toptonen boven het eigenlijke register), slap-tongue (klakkende beweging van het riet tegen het mondstuk), harmonics (het overblazen van het instrument), multiphonics (meerdere tonen tegelijkertijd), trillers en improvisatiegedeelten. Het stuk wordt gespeeld op twee baritonsaxofoons.

Jaqueline Fontyn (1930)
Studeerde bij L. Bolotine, M. Quinet en M. Deutsch.
Haar muziek vindt zijn oorsprong in een directe scheppingsdrang, steeds poŽtisch en in overeenstemming met haar diepste wezen.
Elk werk heeft zijn specifieke vorm. Haar contrapuntisch denken resulteert in een doorzichtige, lineaire stemvoering.
Ze maakt gebruik van complexe harmonische velden, ritmische vrijheid en beweeglijkheid en is steeds op zoek naar nieuwe instrumentale speelwijzen.
Mime 3, voor altsaxofoon en piano, is een mooi voorbeeld van ritmische vrijheid, beweeglijkh-eid. De saxofoon en piano zijn samen solist of anders gezegd: vormen één geheel als gevolg van het contrapuntisch denken van de componiste.
Het werk bevat een veelheid aan uitdrukkingsvormen/technieken, voor beide instrumenten.

Tera de Marez Oyens (1932)
Studeerde piano bij Jan Odé en compositie bij Hans Henkemans.
Componeerde naast orkestwerken en kamermuziek ook elektronische muziek. Geleide improvisatie is één van haar meest geliefde compositietechnieken.
Aan "Mandala" voor altsaxofoon en piano (1988) ligt de "Mandala of Sixty Four Kua" ten grondslag. De symbolen van de "I-hing" met hun eigen vorm en betekenis waren van invloed bij de structuur van de melodische lijnen, bij de samenstelling van de meerklanken en bij de structuur van het hele werk.
Daar dit slechts een techniek was om een uiterste aan balans in de compositie te verkrijgen, is het niet nodig precies na te gaan op welke wijze de symbolen in het stuk geÔntegreerd zijn.
Men beschouwe Mandala als een speelstuk, geïnspireerd door de klank van de saxofoon. Het werk is opgedragen aan saxofonist John-Edward Kelly.ö

Paul Hindemith (1895-1963)
Studeerde viool bij Adolf Rebner in Frankfurt.
Hij was compositiedocent aan de Musikhochschule te Berlijn tot hij in 1935 die functie, onder druk van de Nazi's, neerlegde.
Hij vertrok naar Zwitserland om in 1940 naar de Verenigde Staten te emigreren waar hij compositie doceerde aan Yale University.
Na de Tweede Wereldoorlog was hij werkzaam in ZŁrich.
Hindemith vormde in Duitsland het boegbeeld van de stroming die een radicale breuk met de laat negentiende-eeuwse Romantiek voorstond. Hij gebruikte al snel 'jaren-20' tendensen als spot, persiflage, lichte muziek en expressionisme in zijn muziek.
Kenmerkend voor de compromisloze wijze waarop hij met het notenmateriaal omging was een "nietsontziend contrapunt, waarin de samenklank de volstrekt toevallige resultante was van een horizontale stemvoering" zoals Ton de Leeuw het in `Muziek van de Twintigste Eeuw' uitdrukt.

De Sonate voor altsaxofoon en piano bestaat uit vier delen:

  1. Ruhig bewegt
  2. Lebhaft
  3. Sehr langsam
  4. Lebhaft (zweigespräch)
Otmar Macha (1922)
Tsjechisch componist.
Tijdens één van de vele concerten van saxofonist Sigurd Rascher in Praag hoorde hij werk van Macha.
Gegrepen door het muzikale idioom van Macha zocht Rascher de componist op en leerde hem de mogelijkheden van de saxofoon kennen. Macha beloofde een werk voor saxofoon te zullen schrijven, geïnspireerd als hij was door het grote uitdrukkingsvermogen van het instrument. De melancholieke stemming die "Plac Saxofonu" bevat is sterk gelieerd aan de gebeurtenissen die zich in de jaren '60 in Tsjechoslowakije voltrokken. Het is een werk van zeldzame intensiteit en muzikale helderheid. De compositie is gebaseerd op een eenvoudig drie-tonig motief dat veelvuldig in de Tsjechische muziek te horen is: de aaneenschakeling van twee (melodische) secunden die de meest nauwe en intensieve relatie van drie tonen binnen het diatonisch scala vormen.
Kort voor het slot van het werk, wanneer de componist de melodische intensiteit van deze secunden niet meer toereikend vindt, schrijft hij één enkele microtoon voor die de typische doordringendheid van uitdrukken nog versterkt.
Het werk begint met een Adagio, overgaande in Allegro Molto en wordt afgesloten met een Adagio wat een herhaling (zij het geen letterlijke) is van het begin.

Chiel Meyering (1954)
Studeerde aan het Amsterdams Conservatorium compositie, slagwerk en piano.
Hij heeft inmiddels een omvangrijk oeuvre "saxofoonmuziek" op zijn naam staan. Veelal met titels die voor de soundtrack van een film bestemd zouden kunnen zijn.
"The Pizza connection" voor altsaxofoon en piano is daar een voorbeeld van.
Het werk begint met een langzame, dramatische inleiding, gevolgd door een karakteristiek pianodeel, een snel virtuoos derde deel, herhaling van het "piano-interlude" en een langzaam slotdeel.

Erwin Schulhoff (1894-1942)
Deze Praagse componist en pianist heeft o.a. gestudeerd bij Max Reger en Claude Debussy. Hij maakte naam als pianist en vertolker van de toenmalige moderne muziek. Daarbij speelde hij in eigen land ook veel jazz. In zijn muziek combineerde hij de serieuze hedendaagse muziek met jazzmuziek. Zeker de Hot-Sonata (1930) voor altsaxofoon en piano is daar een mooi voorbeeld van. Deze sonate bestaat uit vier delen waarin doorlopend melodische en ritmische elementen uit de jazz hoorbaar zijn.

Jenö Takács (1902)
Hongaars pianist, componist en volksmuziekverzamelaar. Hij studeerde aan het conservatorium te Wenen, doceerde aan diverse conservatoria waaronder die van Caïro en Manilla, en gaf concerten in Europa, China, Japan en Amerika. Uiteindelijk vestigde hij zich in de Verenigde Staten waar hij werd benoemd tot professor compositie en etnomusicologie, en hoofd meesterklas piano.
De eerste van zijn Two Fantastics (1969) is heel rustig, bijna meditatief van sfeer waarin zijn Hongaarse achtergrond te horen is. Het tweede is meer geïnspireerd door de jazz. In snel tempo volgen de instrumentalisten elkaar als in een gevecht gewikkeld. Halverwege keert de meditatieve rust even terug waarna de eindstrijd wordt geleverd.

Ton de Leeuw (1926)
Studeerde compositie bij Henk Badings, Olivier Messiaen en Thomas de Hartman, en etnomusikologie bij Jaap Kunst. Hij schreef onder andere kamermuziek, pianomuziek, toneelmuziek, elektronische muziek en orkestmuziek. Sinds hij ook de Oosterse klassieke muziek bestudeerde is de wisselwerking van Westerse en Oosterse invloeden karakteristiek voor zijn muziek.
"Linkerhand en rechterhand" voor piano-solo,is van een latere periode, dit in tegenstelling tot de meeste andere pianomuziek. De linkerhand speelt een eenvoudige lijn met een kleine omvang van noten die schijnbaar vlak, maar daardoor heel transparant klinkt. Deze lijn eindigt in een kwint die de rest van het stuk blijft liggen. De rechterhand neem het dan over met een heel eigen lijn, die een grotere omvang kent, en sneller is maar tegelijkertijd net zo transparant is. De melodie van de linker-hand komt op het einde in een kleine verbreding in de rechterhand terug, om uiteindelijk weg te sterven in het niets of juist in het al....? De kwint klinkt als enige nog even na.